Evidence based behandelvorm

Uit meta-analyses blijkt dat, gemeten over een zelfde aantal sessies, persoonsgericht experiëntiële psychotherapie wat betreft de afname van klachten even effectief is als andere therapieoriëntaties. De resultaten zijn zeer robuust. In de cliëntgerichte psychotherapie is er van meet af aan een traditie geweest van wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast is er de laatste decennia veel onderzoek naar de werkzame ingrediënten van psychotherapie in het algemeen gedaan. De persoonsgericht experiëntiële opvatting over het belang van de therapeutische relatie én over de manieren waarop deze relatie vorm gegeven wordt, worden door dit wetenschappelijk onderzoek ondersteund.

 

De verschillende lijnen van evidentie

Zie voor een overzicht het artikel van Takens & Verheul dat in 2015 is verschenen in het tijdschrift, www.tpep.nl .

- Meta-analyse van Elliott c.s. (2013) van 191 studies waarbij meer dan 14.000 cliënten bij betrokken zijn

  • effect size (ES) van .95 op basis van pre-postvergelijkingen (N=199)
  • ES= .81 op basis van gecontroleerde studies (behandelgroep versus wachtlijstgroep) (N=59)
  • ES= .81 op basis van uitsluitend gerandomiseerde studies (N=29)
  • geen significant verschil tussen persoonsgericht experiëntiële psychotherapie en andere vormen van psychotherapie, inclusief cognitieve gedragstherapie
  • geen significant verschil tussen persoonsgericht experiëntiële psychotherapie en cognitieve gedragstherapie (N=77). Deze laatste analyse is uitgevoerd omdat cognitieve gedragstherapie veelal als eerstekeuzebehandeling wordt aangemerkt

- Naturalistische onderzoek

Onderzoek van Stiles en collega’s in Engeland waarbij persoonsgericht experiëntiële psychotherapie, cognitieve gedragstherapie en psychodynamische therapie in eerstelijnsvoorzieningen is vergeleken (Stiles, e.a., 2006; Stiles e.a., 2008). Vanwege het grote aantal deelnemende patiënten (N = 5.613) zijn de uitkomsten hiervan vergelijkbaar met die van experimenteel opgezette RCT’s. Pre-postvergelijkingen leverden geen significante verschillen op tussen de onderscheiden groepen. Gemiddeld genomen was er sprake van een effectgrootte van 1.39.

- ROM

Interessante gegevens ten aanzien van de werkzaamheid van psychotherapie leveren ook de tegenwoordige ROM-metingen op. In een analyse van ROM-data afkomstig van 97 psychotherapeuten met verschillende therapeutische oriëntaties (respectievelijk cognitief-gedragstherapeutisch, psychodynamisch, persoonsgericht experiëntieel, systemisch en integratief) bleek geen significant verschil tussen de verschillende oriëntaties (Verheul, Timman & Takens, 2015).

 

Begin 2016 verscheen de tweede editie van Humanistic psychotherapies; Handbook of research and practice onder redactie van David Cain, zie Lietaer (2017). Het boek kan beschouwd worden als de ‘bijbel’ van het empirisch onderzoek in de psychotherapeutische richtingen die geworteld zijn in de third force van de psychologie. Een belangrijk naslagwerk dus, parallel aan de edities van Bergin and Garfield’s Handbook of psychotherapy and behavior change dat een overzicht biedt van het onderzoek over alle therapeutische paradigma’s heen (voor de laatste editie, zie: Lambert, 2013).

Cain behandelt zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek binnen de suboriëntaties van de humanistische psychotherapie, waaronderpersoonsgericht experiëntiële psychotherapie en EFT. De verschillende modaliteiten – individuele therapie, partnerrelatie en gezinstherapie, psychotherapie met kinderen – komen aan bod. Ook hier is een van de conclusies dat alle bona fide behandelvormen, in handen van goed opgeleide therapeuten, het ongeveer even goed doen. De outcome-variantie wordt in veel grotere mate bepaald door de persoon van de therapeut dan door de therapiemethode op zich.

 

Referenties: