De interactionele stroming binnen het proces-experiëntiële kader richt zich met name op cliënten met een persoonlijkheidsstoornis, waarbij de problematiek genesteld is in een onvoldoende vervulling van basisbehoeften in de kindertijd, en tot uiting komt in een niet adequate omgang van de cliënt met anderen (Takens, 2007). De therapie beoogt de interactionele stijlkenmerken van de cliënt te beïnvloeden. Het vertrekpunt daarbij is het zogeheten tweeledig gedragsregulatiemodel: enerzijds wordt iemands (interpersoonlijke) gedrag bepaald door ‘normale’ interpersoonlijke behoeften, zoals de behoefte aan liefde en erkenning, anderzijds door (gestoorde) fundamentele opvattingen van de persoon over zichzelf en anderen en over de betrekkingen met die anderen. Aangrijpingspunt in de therapie is de wijze waarop de cliënt met een persoonlijkheidsstoornis zijn/haar ‘betrekkingsproblemen’ in de relatie met de therapeut toont en uit-ageert. Door daar niet-complementair op te reageren zet de therapeut de cliënt in eerste instantie op het verkeerde been, waarna de interactiestijl bespreekbaar wordt en uiteindelijk voor verandering vatbaar, teneinde de weg vrij te maken voor de bevrediging van de meer authentieke basisbehoeften en dus ander gedrag.